Lot
over Boeken

Pijpelijntjes herlezen 3

lot in pijpelijntjes

De Pijp, eind jaren ’80. Ik was een jaar of 12 en mocht meespelen in een toneelstuk van de amateurtheatergroep bij mij in de buurt. Te midden van de flamboyante en bevlogen volwassen spelers stond ik als guppie op het toneel. Het stuk was Pijpelijntjes, een bewerking van de roman van Jacob Israël de Haan, geregisseerd door Henk Reijn. 

Afgelopen juni was het honderd jaar geleden dat De Haan werd vermoord in 1924 en ook zo’n 35 jaar na dat toneelstuk, daarom herlas ik zijn roman uit 1904 in die maand. Ik schreef al over mijn band met het boek vanwege de buurt en mijn liefde voor de taal. Ik heb lang gewacht met schrijven over het gegeven waardoor het boek beroemd en berucht is geworden: het is een van de eerste openlijk homoseksuele romans uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. 

Ik weet nu waarom ik lang wachtte. Het schrijven van dit bericht heeft me geëmotioneerd. Hier komt de lezing van Pijpelijntjes het meest na aan mijn hart. 

Waarin Pijpelijntjes zich onderscheidt van veel gay boeken die ik sindsdien las is de vanzelfsprekendheid. Hoewel de liefde voor mannen en de problemen die daarmee gepaard gaan de kern van de roman zijn, is homoseksualiteit niet hét probleem. Joop voelt geen worsteling met zijn geaardheid, wel met zijn geliefde. Die geaardheid is er gewoon. Punt. En dat in 1904. 

Bij veel gay romans voel ik vervreemding. Niet omdat ik, als heteroseksueel, moeite heb om me in te leven in de liefde voor mensen van hetzelfde geslacht, het is ook niet dat ik de problematiek van uit de kast komen of maatschappelijke uitsluiting onbelangrijk vind. Maar om me in te leven in een personage heb ik een ruimere identiteit nodig. In veel gay romans die ik las is de geaardheid de definiërende karaktertrek, het focuspunt van alle problemen. Iemand is ongelukkig omdat hij of zij gay is. (Er schiet me meteen sowieso één uitzondering te binnen: het werk van Renée van Marissing)

In Pijpelijntjes kreeg ik toen, en nu nog steeds, de indruk dat Joop ongelukkig is omdat hij is wie hij is, in ál zijn gevoelige, intense, en liefdes-aspecten. De Haan beschrijft de wereld van Joop op een invoelbare manier, zoals ik in mijn vorige stuk al schreef. Ook in de pijn van een liefde die moeilijk is. Dat zijn geaardheid daarbij een verzwarende factor is, zorgt voor meer inleving. Ik voel zijn verhevigde pijn. 

Mijn moeder had me bij de toneelgroep naar binnen gepraat en Henk ontving me liefdevol, warm en met humor te midden van de volwassenen. Hij had een enthousiaste energie die ik nog steeds voel als ik aan hem denk. Voor mijn moeder was geaardheid vanzelfsprekend. Henk Reijn viel op mannen, dat was voor haar wel iets om me te vertellen, maar niet iets om te veroordelen. Het was gewoon zo. Dat daar bij Reijn een verzwarende pijn bij hoorde vertelde ze later ook. 

Henk Reijn werd ziek. Ik weet niet precies meer, of ik tijdens Pijpelijntjes wist dat hij AIDS had of kort daarna. Er was nog geen medicijn. Mijn moeder was daar open over, ookal vond ik het doodeng. Ze hield me op de hoogte van de stadia van zijn ziekte, ze bereidde me voor op wat zou komen. Ze deelde haar onmacht, haar verdriet, haar verontwaardiging over hoe de maatschappij omgaat met AIDSpatiënten. Deed ze dat teveel? Misschien. Maar ik ben haar dankbaar dat ze me ervan overtuigde Henk nog een keer op te zoeken voordat hij stierf. ‘Henk wil je zo graag nog een keer zien,’ zei ze. ‘Je hoeft niet bang te zijn, AIDS is niet op die manier besmettelijk.’ Ik herinner me nog hoe hij eruit zag in zijn rolstoel, zijn warme huid onder mijn kus, zijn blijdschap om mij te zien. Zijn energie, nog steeds. Ik zag dat ook doodziek Henk nog steeds gewoon Henk was. 

Pijpelijntjes symboliseert wat ik leerde van Henk en mijn moeder: een mens is niet één eigenschap, niet één omstandigheid, maar een gelaagd samenstel van elementen dat een persoon tot een uniek, universeel individu maakt. 

Bij herlezing realiseerde ik me dat. Wat een mazzel dat ik Pijpelijntjes en Henk Reijn ontmoette aan het begin van mijn puberteit.