Lot
over Boeken

Pijpelijntjes herlezen 2

kaft van Pijpelijntjes met boekenlegger

In de maand juni herlees ik de roman Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan. Honderd jaar geleden werd De Haan vermoord in Israël door radicale zionisten, daarom is het deze maand Jacob Israël de Haan-maand in Nederland. Als inleiding op zijn leven is het interview met Emile Fallaux in de podcast van De Groene interessant. 

Tussendoor schrijf ik over mijn associaties, omdat Pijpelijntjes een belangrijk boek is in mijn leven. Ik ken het al sinds mijn jonge tienerjaren. Zo woonde ik tot mijn 19e in De Pijp, om de hoek van het huis waar Pijpelijntjes zich afspeelt. Daarover schreef ik in de eerste blogpost.

Pijpelijntjes beschrijft de relatie van Joop en Sam op hun kamertjes in De Pijp. Er is een belangrijke rol weggelegd voor andere bewoners van het huis en het blok huizen. De hoofdstukken schommelen mee met hun dagelijks leven, hun feestjes en hun zorgen. 

Op elke bladzijde van Pijpelijntjes word ik gegrepen door de taal. Tastend beschrijft De Haan de sensaties van zijn hoofdpersoon Joop in lyrische, zintuiglijke taal. Op de allereerste bladzijde staat deze zin: ‘Onze kanten overgordijnen waren in de was, alleen de rolgordijnen hingen vierkant-wit, hard wit voor het raam en ’t waterwitte zonlicht spookte soms hevig of was weg ineens, luguber.’ De roman staat vol met dit soort zinnen over licht, maar ook geluid en sensiviteit. Zoals deze van pagina 93: ‘Ze zweeg. Maar met lang praatwachten erachter, dat er nog iets kwam.’ 

In mijn editie staat een nawoord van W. F. Hermans. Hoewel hij positief is over het verhaal, is hij niet enthousiast over de taal, die hij vergelijkt met het taalgebruik van de Tachtigers. Hij schrijft: ‘Welke bedoelingen hadden auteurs van dat tijdperk met dergelijke nieuwvormingen? Geen andere dan met die nieuwe gecondenseerde woorden nieuwe nuances, nieuwe aspecten van de werkelijkheid uit te drukken, die voordien wel hadden bestaan, maar pas door hen waren waargenomen en nu zegbaar geworden, -dachten zij.’

Vervolgens herschrijft hij een alinea van De Haan in ‘normaal’ Nederlands. 

Ik vind het vreemd commentaar. Het is alsof je de schilderijen van Breitner veroordeelt, omdat hij een werkelijkheid schildert die er al was, maar niet realistisch en natuurgetrouw genoeg. Terwijl voor mij deze impressionistische manier van schrijven juist opvalt tegenover het keurige, conventionele taalgebruik van vrijwel alle hedendaagse prozaschrijvers van Nederland. 

Ik heradem bij deze zinnen, bij deze stijl. Ik voel het in mijn lichaam. De losse, zoekende formulering tegenover het trefzekere van de observatie wiegt me. Het resoneert met mijn eigen kijken en het denken in mijn hoofd. De nauwkeurigheid waarmee de hoofdpersoon kijkt en de ruimte die De Haan zichzelf geeft om die direct en spontaan op te tekenen. 

Dus ik geniet van de woordvondsten, van de beschrijvingen, van de sfeer. Ik zie het levendig voor me, net zoals ik door de schilderijen van Breitner het Amsterdam van begin 20e eeuw tot in het diepst van mijn zintuigen zie, voel en hoor. 

Nog één alinea om het af te leren. Deze is misschien wat zwaar op de woordvondsten, maar dat past wat mij betreft wel bij de stemming die De Haan beschrijft. 

‘De volgende dag stond Sam vroeg op en hij ging uit. Prettiglui bleef ik nog wat liggen achterover met m’n handen onder m’n hoofd, halfdicht m’n ogen, dat ’t fijniggrijze morgenlicht zonneloos binnenzeefde. De tijd versoesde zachtsuizend heen, en ik dee m’n ogen niet open, bang, dat het volle daglicht me klaar wakker zou maken. Dee iemand nu maar die alkoofdeur dicht, dan kon ik m’n ogen wel open doen… zou ik ‘m zelf sluiten… ja maar even doen toch. In ’t bed opleunend probeerde ik de deur te sluiten, maar het lukte niet. Onder m’n warme lijf tochtte de kou kil. Dan maar eruit ’t zó doen. Maar helder wakker lag ik met m’n ogen open in ’t dempige schaduwlicht; dommelde doezig weer in

            En Sam kwam thuis.’