Badkamerkastje

het archief heerma van Voss en Franny and Zooey j.d. salinger

Een van de beste boeken over lezen is What we see when we read, een fenomenologisch, fragmentarisch onderzoek naar de leeservaring. Het is geschreven en geïllustreerd door Peter Mendelsund, in het dagelijks leven ontwerper van boekomslagen. 

Zijn observaties en gedachten zijn raak en inspirerend. Zoals die over personagebeschrijvingen. Hij vraagt zicht af hoeveel beschrijving je nodig hebt om een personage voor je te zien. Waarom beschrijft een auteur het uiterlijk van zijn personages? Mendelsunds stelling is dat het uiterlijk er alleen toe doet als het nodig is voor de rest van het verhaal. We moeten erdoor begrijpen wie de personages zijn. Het uiterlijk als karakterbeschrijving. 

Daarmee slaat hij de spijker op de kop wat mijn leeservaring betreft. Of een personage bruin of blond haar heeft is in de meeste gevallen niet relevant. Dat mag de lezer zelf fantaseren, behalve natuurlijk als de haarkleur een dader moet identificeren. Een ander voorbeeld: of een vrouw in een boek broeken of jurken draagt is belangrijk als het verhaal zich afspeelt aan het begin van de 20e eeuw, toen het dragen van een broek voor een vrouw nog een controversieel statement was. Hoe het personage eruitziet moet iets betekenen in het verhaal: het moet handelingen beïnvloeden, posities in het verhaal verklaren, houvast geven om te tonen hoe het personage is wie het is. Anders is het ruis.

Mendelsund besteedt minder aandacht aan beschrijvingen van de omgeving. Hoeveel beschrijving van de omgeving heb je nodig? Precies zoveel als het verhaal nodig heeft om duidelijk te maken wat die omgeving voor de personages doet, voor het verhaal als geheel, voor de situatie, voor de sfeer. Dat is mijn intuïtie. 

En dan nu de praktijk. 

She went over to the medicine cabinet. It was stationed above the washbowl, against the wall. She opened its mirror-faced door and surveyed the congested shelves with the eye – or, rather, the masterly squint – of a dedicated medicine-cabinet gardener. Before her, in overly luxuriant rows, was a host, so to speak, of golden pharmaceuticals, plus a few technically less indigenous whatnots. The shelves bore iodine, Mercurochrome, vitamin capsules, dental floss, aspirin, Anacin, Bufferin, Argyrol, Musterole, Ex-Lax, Milk of Magnesia, Sal Hepatica, Aspergum, two Gilette razors, one Schick Injector razor, two tubes of shaving cream, a bent and somewhat torn snapshot of a fat black-and-white cat asleep on a porch railing, three combs, two hairbrushes, a bottle of Wildroot hair ointment, a bottle of Fitch Dandruff Remover, a small unlabelled box of glycerine suppositories, Vicks Nose Drops, Vicks VapoRub, six bars of castile soap, the stubs of three tickets to a 1946 musical comedy (‘Call Me Sister’), a tube of depilatory cream, a box of Kleenex, two seashells, an assortment of used-looking emery boards, two jars of cleansing cream, three pairs of scissors, a nail file, an unclouded blue marble (known to marble shooters, at least in the twenties, as a ‘purey’), a cream for contracting enlarged pores, a pair of tweezers, the strap less chassis of a girl’s or a woman’s gold wristwatch, a box of bicarbonate of soda, a girl’s boarding-school class ring with a chipped onyx stone, an bottle of Stopette – and, inconceivable or no, quite a good deal more.’ (p. 49-50, mijn editie)

Dit is een citaat uit Franny and Zooey van de Amerikaanse auteur J.D. Salinger. Ik vind het een van de beste beschrijvingen die ik ken, in al zijn detail en zijn namedropping en zijn specificiteit. Met de beschrijving van de spullen in dat ene kastje is de familie over wie het verhaal gaat geschetst, zowel in detail als in grote lijnen. Ik ken niet alle producten die Salinger noemt, ik heb nog nooit de aandrang gehad ze op te zoeken. Ik lees ook niet elk woord met aandacht, dat is niet nodig denk ik. Voor mij volstaat dat het badkamerkastje de familie tot leven wekt. Ik hoor stemmen, ik zie ze gehaast door de badkamer gaan, ik zie hoe het leven zich afspeelt in die ruimte zoals in de rest van het huis. Een druk, vol leven, met weinig orde, maar veel liefde en (pogingen tot) zorgzaamheid. Dit kastje is al lang niet opgeruimd, maar iedereen weet wat ze er kunnen vinden. Juist door dit soort beschrijvingen heeft Salinger zo weinig bladzijden nodig om zijn verhalen te vertellen. Juist hierdoor vind ik hem zo’n goeie schrijver.

Elke keer als ik in een boek zo’n schets lees, geniet ik. Zoals bijvoorbeeld in Het archief van Thomas Heerma van Voss:

‘Wat zou ik nu graag dat huis binnenstappen. Ik zou er alles voor overhebben: de dingen aantreffen zoals ik ze me destijds voorstelde. De krakende voordeur, vlak daarachter de overvolle kapstok, een jaren oude, ingelijste foto van ons gezin breeduit lachend bij een kermis, een trappetje voor kluswerk dat nooit werd gedaan, de voormalige handschoenenlade die was uitgegroeid tot een zeldzaam inhuizig domein van mijn moeder: daar lagen spullen klaar voor school, net gewassen knutselschortjes, kastanjes om haar lokaal mee te versieren.’ (p. 97-98, mijn editie)

Het gezin komt zo mooi naar voren in dit fragment. Het breed lachen bij de kermis, klussen die nooit werden gedaan en de lade waar nog net een hoekje voor de moeder was ontstaan, waar orde (net gewassen) en zorgzaamheid (verzamelde kastanjes) heersen. 

Magnifiek, vind ik. Ben benieuwd wat jullie vinden. 

Boeken:
What we see when we read – Peter Mendelsund (2014)
Franny and Zooey – J.D. Salinger (1955)
Het archief – Thomas Heerma van Voss (2024)