Wat we zien en wat we invullen: ‘On Morality’ -Joan Didion (1965) uit Slouching towards Bethlehem, va p. 157
Ik dacht na over het essay ‘On Morality’ van Joan Didion terwijl ik aan de telefoon hing met een instantie. Ik moet gegevens en getallen opnoemen, zij zoekt in systemen en af en toe hang ik in de wacht. Ondertussen kijk ik naar de kaft van de essaybundel Slouching towards Bethelehem. Mijn gedachte is eigenlijk ‘Wat komt dit plaatje me bekend voor.’ Niet zo vreemd, ik heb het boek al een half jaar in huis, het boek heeft maanden op een boekenstandaard op mijn bureau gestaan, ik heb het plaatje al honderden keren gezien, maar kennelijk niet bewust geregistreerd. Dit is het tweede essay dat ik lees.
Het is een foto, van Joan Didion neem ik aan. Dat wil zeggen: ik neem aan dat Didion op de foto staat. Ze zit/ligt op de bank met een sigaret in haar hand, een verleidelijk afwezige blik op haar gezicht.
Tenminste, zo zat het in mijn hoofd. Tijdens het schrijven van dit stuk lag het boek open en zag ik de kaft niet. Toen ik de kaft bekeek om te zien of ze inderdaad rookte (ik heb een theorie over rokende vrouwelijke auteurs) bleek ze niet te roken. Ze lag niet, maar zat en ook was het geen bank maar een voluptueuze fauteuil. Ze kijkt intens in de camera, ik vind het moeilijk om te bepalen of ze treurig is, of angstig of geconcentreerd. Hoe had ik de foto zo snel zo sterk kunnen vervormen?
Lichtgroen op donkergroen water
Afijn, achter haar aan de muur hangt een schilderij. Een reproductie. Daarom was het me allemaal begonnen. Zodra ik niet naar de kaft kijk, heb ik het schilderij ingevuld. In kleur. Terwijl de foto zwart-wit is. Lichtgroene leliebladen op donkergroen water. Ze liggen in een té keurig patroon om natuurlijk te zijn. De plas met de lelies wordt omringd door bomen. Escher misschien? zoemt het ver weg in mijn achterhoofd. Ik vermoed ook dat mijn moeder ooit een poster had van de afbeelding.
Maar het klopt helemaal niet. Net als de bank heb ik de lelies gefantaseerd. Dat viel me op toen ik naar de kaft staarde terwijl ik een reeks van 16 cijfers moest opnoemen.
Eerst de realisatie dat het geen staand formaat is, zoals in mijn hoofd, maar liggend. Toen de lichte horizon, in plaats van de bomenrijkdom. En toen pas drong door dat ik het plaatje helemaal zelf had ingevuld met de waterleliebladen en de kleur. Zijn het eigenlijk wel waterlelies? Waarom denk ik dat eigenlijk? Ik keek nog eens goed. Het zijn onregelmatig gevormde witte blobjes op een zwart vlak, langzaam verdwijnend in de mist op weg naar de horizon. Smeltend poolijs misschien. Beslist geen waterlelies.
Invulling
Terwijl de wachtmuziek klonk bedacht ik me hoe vreemd het is dat je tegelijk wel en niet kijkt naar wat op de achtergrond is. Tegelijkertijd wel en niet ziet wat je registreert. Je vult het in met wat je kent of denkt te kennen. Je vult in. De hele tijd.
Ben benieuwd wat de maker van het schilderij, bij nader inzien is het misschien wel een foto, ervan zou vinden als diegene zou weten hoe achteloos het werk gezien, maar niet bekeken wordt door onverschillige lezers. Hoewel… onverschillig… ik bedacht me ook nog, het wachtmuziekje duurde lang omdat de mevrouw aan de andere kant een expert moest bellen om mijn probleem voor te leggen, dat het zo’n goede foto is omdat de wanden achter Didion niet leeg zijn. Het schilderij heeft een belangrijke compositorische functie in de. Misschien is de plaatsing van het kunstwerk wel verantwoordelijk voor de aantrekkelijkheid van het boek, dus voor de verkoop.
Moraliteit en ijsblokjes
Ik bedacht dit allemaal en vroeg me af of ik het kon opschrijven. Mocht opschrijven. Was het niet te triviaal als antwoord op het essay ‘On Morality’? Maar het kon natuurlijk. Didion begint haar essay ook met trivia: ‘As it happens I am in Death Valley, in a room at the Enterprise Motel and Trailer Park, and it is July, and it is hot. In fact it is 119°. I cannot seem to make the air conditioner work, but there is a small refrigerator, and I can wrap ice cubes in a towel and hold them against the small of my back.’ Haar essay over moraal begint met een vrij pietluttige beschrijving van haar omstandigheden en in de rest van het essay blijft ze dicht bij haar dagelijkse praktijk. Ze bespreekt alleen concrete gevallen van moreel handelen of moraliteit, de moraal van mensen zoals jij en ik: verpleegkundigen, vrachtwagenchauffeurs.
Met een bedoeling. Want ookal is ze gevraagd om iets abstracts over moraal te schrijven, ze denkt alleen maar aan concrete zaken en specifieke voorbeelden: ‘With the help of the ice cubes I have been trying to think, because The American Scholar asked me to, in some abstract way about “morality,” a word I distrust more every day, but my mind veers inflexibly toward the particular.’
Metaphysical Animals
Grappig genoeg rijmt dat op de reden waarom ik deze ochtend dit essay koos. Bij het ontbijt een uurtje eerder had ik zitten lezen in Metaphysical Animals, een groepsbiografie over vier vrouwelijke filosofen in het Oxford van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In de passage die ik juist las gingen twee filosofen in tegen de mannelijke docenten en voorgangers, die van moraliteit pure theorie en gedachtenspel hadden gemaakt. Wittgenstein en het logisch positivisme kwamen voorbij, het waren barre tijden voor de ethiek. Maar je voelt al dat deze vrouwen het anders gaan doen, anders denken. Zij nemen de praktijk als uitgangspunt, mensen, de concrete zaken.
Ik was benieuwd hoe Didion daar zo’n 30 jaar later tegenaan zou kijken. En zie! Ook zij begint met concrete zaken: ijsblokjes tegen haar rug en een auto die van de weg afrijdt. Aan het eind van haar essay komt ze doelbewust slingerend en associërend tot een uiterst politieke -en actuele en urgente- conclusie over moraliteit: ‘Because when we start deceiving ourselves into thinking not that we want something or need something, not that it is a pragmatic necessity to have it, but that it is a moral imperative that we have it, then is when we joint he fashionable madmen, and then is when we are in bad trouble. And I suspect we are already there.’
Zo tonen de schrijvers van Metaphysical Animals ook de filosofen die ze portretteren: als mensen die hun leven als aanleiding gebruiken voor hun denken en die hun denken reflecteren in hun leven. Hun filosofie ontstaat niet in de studeerkamer of in een wolkenkrabber, maar bestaat in de kwesties die het leven in alle rijkdom (of letterlijke armoede) hun toewerpt.
Je ziet wat je kent
Net zo werkt mijn meanderende geest vandaag, die mijn onderbewuste aannames en beeldvorming onderzocht terwijl ik een probleem met abonnementen oploste. Door naar de kaft te kijken realiseer ik me hoeveel ik invul. Ik zie meer dan ik waarneem en dat vormt zich vormt volgens een beeld dat al in mij bestaat. Zie het kunstwerk. Zie de foto. En mijn lezing van het essay, die duidelijk gekleurd is door Metaphysical Animals. Maar bovenal vallen deze ervaringen naadloos samen met een gedachte die ik al langer koester: je ziet altijd dat wat je gelooft.
Quod erat demonstrandum.
PS.: inmiddels achterhaalde ik de fotograaf van de coverfoto. De afgebeelde vrouw is inderdaad Joan Didion. De fotograaf is Mary Lloyd Estrin. Estrin maakte een foto waarop Didion voor het kunstwerk staat en je het kunstwerk dus beter kunt zien. Die vind je hier.
