Wat we zien en wat we invullen: ‘On Morality’ -Joan Didion (1965) uit Slouching towards Bethlehem, va p. 157
Ik dacht na over het essay ‘On Morality’ van Joan Didion terwijl ik aan de telefoon hing met een instantie. Ik moet gegevens en getallen opnoemen, zij zoekt in systemen en af en toe hang ik in de wacht. Ondertussen kijk ik naar de kaft van de essaybundel Slouching towards Bethelehem. Mijn gedachte is eigenlijk ‘Wat komt dit plaatje me bekend voor.’ Niet zo vreemd, ik heb het boek al een half jaar in huis, het boek heeft maanden op een boekenstandaard op mijn bureau gestaan, ik heb het plaatje al honderden keren gezien, maar kennelijk niet bewust geregistreerd. Dit is het tweede essay dat ik lees.
Het is een foto, van Joan Didion neem ik aan. Dat wil zeggen: ik neem aan dat Didion op de foto staat. Ze zit/ligt op de bank met een sigaret in haar hand, een verleidelijk afwezige blik op haar gezicht.
Tenminste, zo zat het in mijn hoofd. Tijdens het schrijven van dit stuk lag het boek open en zag ik de kaft niet. Toen ik de kaft bekeek om te zien of ze inderdaad rookte (ik heb een theorie over rokende vrouwelijke auteurs) bleek ze niet te roken. Ze lag niet, maar zat en ook was het geen bank maar een voluptueuze fauteuil. Ze kijkt intens in de camera, ik vind het moeilijk om te bepalen of ze treurig is, of angstig of geconcentreerd. Hoe had ik de foto zo snel zo sterk kunnen vervormen?
Lichtgroen op donkergroen water
Afijn, achter haar aan de muur hangt een schilderij. Een reproductie. Daarom was het me allemaal begonnen. Zodra ik niet naar de kaft kijk, heb ik het schilderij ingevuld. In kleur. Terwijl de foto zwart-wit is. Lichtgroene leliebladen op donkergroen water. Ze liggen in een té keurig patroon om natuurlijk te zijn. De plas met de lelies wordt omringd door bomen. Escher misschien? zoemt het ver weg in mijn achterhoofd. Ik vermoed ook dat mijn moeder ooit een poster had van de afbeelding.
Maar het klopt helemaal niet. Net als de bank heb ik de lelies gefantaseerd. Dat viel me op toen ik naar de kaft staarde terwijl ik een reeks van 16 cijfers moest opnoemen.
Eerst de realisatie dat het geen staand formaat is, zoals in mijn hoofd, maar liggend. Toen de lichte horizon, in plaats van de bomenrijkdom. En toen pas drong door dat ik het plaatje helemaal zelf had ingevuld met de waterleliebladen en de kleur. Zijn het eigenlijk wel waterlelies? Waarom denk ik dat eigenlijk? Ik keek nog eens goed. Het zijn onregelmatig gevormde witte blobjes op een zwart vlak, langzaam verdwijnend in de mist op weg naar de horizon. Smeltend poolijs misschien. Beslist geen waterlelies.
Invulling
Terwijl de wachtmuziek klonk bedacht ik me hoe vreemd het is dat je tegelijk wel en niet kijkt naar wat op de achtergrond is. Tegelijkertijd wel en niet ziet wat je registreert. Je vult het in met wat je kent of denkt te kennen. Je vult in. De hele tijd.
Ben benieuwd wat de maker van het schilderij, bij nader inzien is het misschien wel een foto, ervan zou vinden als diegene zou weten hoe achteloos het werk gezien, maar niet bekeken wordt door onverschillige lezers. Hoewel… onverschillig… ik bedacht me ook nog, het wachtmuziekje duurde lang omdat de mevrouw aan de andere kant een expert moest bellen om mijn probleem voor te leggen, dat het zo’n goede foto is omdat de wanden achter Didion niet leeg zijn. Het schilderij heeft een belangrijke compositorische functie in de. Misschien is de plaatsing van het kunstwerk wel verantwoordelijk voor de aantrekkelijkheid van het boek, dus voor de verkoop.
Moraliteit en ijsblokjes
Ik bedacht dit allemaal en vroeg me af of ik het kon opschrijven. Mocht opschrijven. Was het niet te triviaal als antwoord op het essay ‘On Morality’? Maar het kon natuurlijk. Didion begint haar essay ook met trivia: ‘As it happens I am in Death Valley, in a room at the Enterprise Motel and Trailer Park, and it is July, and it is hot. In fact it is 119°. I cannot seem to make the air conditioner work, but there is a small refrigerator, and I can wrap ice cubes in a towel and hold them against the small of my back.’ Haar essay over moraal begint met een vrij pietluttige beschrijving van haar omstandigheden en in de rest van het essay blijft ze dicht bij haar dagelijkse praktijk. Ze bespreekt alleen concrete gevallen van moreel handelen of moraliteit, de moraal van mensen zoals jij en ik: verpleegkundigen, vrachtwagenchauffeurs.
Met een bedoeling. Want ookal is ze gevraagd om iets abstracts over moraal te schrijven, ze denkt alleen maar aan concrete zaken en specifieke voorbeelden: ‘With the help of the ice cubes I have been trying to think, because The American Scholar asked me to, in some abstract way about “morality,” a word I distrust more every day, but my mind veers inflexibly toward the particular.’
Metaphysical Animals
Grappig genoeg rijmt dat op de reden waarom ik deze ochtend dit essay koos. Bij het ontbijt een uurtje eerder had ik zitten lezen in Metaphysical Animals, een groepsbiografie over vier vrouwelijke filosofen in het Oxford van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In de passage die ik juist las gingen twee filosofen in tegen de mannelijke docenten en voorgangers, die van moraliteit pure theorie en gedachtenspel hadden gemaakt. Wittgenstein en het logisch positivisme kwamen voorbij, het waren barre tijden voor de ethiek. Maar je voelt al dat deze vrouwen het anders gaan doen, anders denken. Zij nemen de praktijk als uitgangspunt, mensen, de concrete zaken.
Ik was benieuwd hoe Didion daar zo’n 30 jaar later tegenaan zou kijken. En zie! Ook zij begint met concrete zaken: ijsblokjes tegen haar rug en een auto die van de weg afrijdt. Aan het eind van haar essay komt ze doelbewust slingerend en associërend tot een uiterst politieke -en actuele en urgente- conclusie over moraliteit: ‘Because when we start deceiving ourselves into thinking not that we want something or need something, not that it is a pragmatic necessity to have it, but that it is a moral imperative that we have it, then is when we joint he fashionable madmen, and then is when we are in bad trouble. And I suspect we are already there.’
Zo tonen de schrijvers van Metaphysical Animals ook de filosofen die ze portretteren: als mensen die hun leven als aanleiding gebruiken voor hun denken en die hun denken reflecteren in hun leven. Hun filosofie ontstaat niet in de studeerkamer of in een wolkenkrabber, maar bestaat in de kwesties die het leven in alle rijkdom (of letterlijke armoede) hun toewerpt.
Je ziet wat je kent
Net zo werkt mijn meanderende geest vandaag, die mijn onderbewuste aannames en beeldvorming onderzocht terwijl ik een probleem met abonnementen oploste. Door naar de kaft te kijken realiseer ik me hoeveel ik invul. Ik zie meer dan ik waarneem en dat vormt zich vormt volgens een beeld dat al in mij bestaat. Zie het kunstwerk. Zie de foto. En mijn lezing van het essay, die duidelijk gekleurd is door Metaphysical Animals. Maar bovenal vallen deze ervaringen naadloos samen met een gedachte die ik al langer koester: je ziet altijd dat wat je gelooft.
Quod erat demonstrandum.
PS.: inmiddels achterhaalde ik de fotograaf van de coverfoto. De afgebeelde vrouw is inderdaad Joan Didion. De fotograaf is Mary Lloyd Estrin. Estrin maakte een foto waarop Didion voor het kunstwerk staat en je het kunstwerk dus beter kunt zien. Die vind je hier.
Ik wil meer essays lezen. Nu is dit opschrijf weet ik niet meer waarom, maar het was een voornemen dat ik al lang koester. Ik kocht ook essaybundels om te lezen. Van Joan Didion, omdat Vivian Gornick me daar lekker voor had gemaakt met haar bespreking in The Situation and the Story. Ik ga niet opzoeken waarom of hoe. Het was een paar maanden geleden en ik liep in Groningen een paar boekhandels af om ze te vinden. Gevonden. Gekocht. Neergezet. Voorgenomen.
Nu is het januari, tijd van goede voornemens en ik heb een essay gelezen van Joan Didion. Zomaar eentje. Uit zomaar een van de bundels: Slouching towards Bethlehem. ‘On Keeping a Notebook’ heet het essay. Uitgekozen omdat ik gisteren bedacht dat het bijhouden van mijn notitieboek (in mijn huishouden mijn Zibaldone geheten, afgekort ZIB) me beter doet voelen en inspiratie geeft.
Het is een goed essay, vind ik. Omdat het een vraag onderzoekt zonder te eisen dat er een definitief antwoord komt. Het is inderdaad een essay, proberen een gedachte te vangen.
Mooie zinnen
‘Although I have felt compelled to write things down since I was five years old, I doubt that my daughter ever will, for she is a singularly blessed and accepting child, delighted with life exactly as life presents itself to her, unafraid to go to sleep, unafraid to wake up.’
Terwijl ik dat overtypte vroeg ik me af of er niet iets was met de dochter van Joan Didion. De Wikipediapagina van Blue Lights, de memoir over de rouw om die dochter nadat die is overleden, bevestigt me hierin. Het bevlekt mijn eerste lezing van het essay en doet me er weer aan denken dat wat je weet een ononderschatbare impact heeft op je leeservaring. Ik zal het essay nooit meer hetzelfde kunnen lezen.
Frappant is dat dit essay uit 1966 komt, het jaar dat haar dochter werd geboren volgens Wikipedia. Ze schrijft hier dus over een kind dat nog niet eens kan lopen, laat staan schrijven. Het kind is nog in de gezegende staat van onwetendheid, die sommige baby’s hebben. Mijn eerste baby had die staat ook vrij lang, maar die staat is nu vrij lang voorbij. Het kind wordt bijna 21. Het roept vragen op bij mij over hoe Didion haar moederschap zag als ze al zulke vergaande conclusies over haar dochter trok in het baby-stadium.
Maar. Mooie zinnen
‘[M]y approach to daily life ranges from the grossly negligent to the merely absent[.]’
Hier kan ik heel lang naar kijken. Ik overweeg om hem over te nemen in mijn ZIB. En daar is de vergelijking met het schrijven in een notitieboek van Didion. Haar notitieboeken staan vol losse zinnetjes, gehoord van mensen op straat, van vrienden, uit artikelen. Ze vraagt zich af: ‘waarom doe ik dat? Wat heb ik aan die zinnen? Ik gebruik ze helemaal niet.’ Geleidelijk aan vindt ze het antwoord: elk van die zinnen brengt haar terug naar de situatie waarin ze de zin hoorde en vaak hoort daar een gedachte bij die gaat over haar leven of het leven in het algemeen. Dat ene opgevangen zinnetje roept een scène op en die scène roept een filosofische observatie op. Mooi eraan vind ik dat juist de zin en het beeld die filosofische gedachte metaforisch overbrengen. Het zinnetje is al literatuur in feite.
Het doet me denken aan hoe ik me boeken herinner. Ik herinner me vaak een sfeer, een beeld, de plek waar ik het las, een detail van een personage… Ik heb alleen die herinnering nodig om het boek terug te halen en na te denken over de betekenis van de inhoud. Een fractie is genoeg.
Het bevreemdt me daarom dat mensen het plot navertellen als ik vraag wat iemand van een boek vond. Ik kan me niet inleven in een hoofd dat een boek onthoudt aan de hand van de verhaallijn. Stiekem denk ik dat die mensen niet datgene vertellen wat ze zich echt herinneren, maar wat ze denken dat ik nodig heb om het boek te snappen. Dat denken ze verkeerd.
Nog twee mooie zinnen
‘[W]e are talking about something private, about bits of the mind’s string too short to use, an indiscriminate and erratic assemblage with meaning only for its maker.’
En:
‘I think we are well advised to keep on nodding terms with the people we used to be, whether we find them attractive company or not.’
Losjes eindjes touw, die genoeg voor mij zijn om in contact te blijven met alle ikken die ik niet meer ben. Dat is een mooie omschrijving van mijn eigen Zibaldones. Ze helpen mij om al die eindjes aan elkaar te knopen tot mijn huidige ik. Mijn notitieboeken maken mij tot een geheel. Ze vormen mijn identiteit.
Over Dikke kus, dag-dag, afstand nemen en boeken begrijpen
Bennett in de Balie
In september werd de Engels-Ierse schrijver Claire-Louise Bennett geïnterviewd in de Balie over haar nieuwe boek Dikke kus, dag-dag. De signeerrij achteraf was lang en ik stond bijna achteraan. Signerrijen duren lang, omdat iedereen iets wil zeggen tegen de schrijver die klaar zit met de pen in de hand. Ik zei ‘Thank you,’ toen ik bij Bennett stond. Ze keek me beleefd verwachtingsvol aan, wachtend op de rest van het verhaal. ‘Just thank you. For your writing,’ zei ik ter verduidelijking. Verbazing en vermaak op haar gezicht: zo kort van stof vond ze een opluchting. Ze zette een onleesbare krabbel in mijn boek en dat was dat. Ik bewonder Claire-Louise Bennett enorm en ik hou van haar werk, maar ik voelde niet de behoefte over haar werk te praten met haar. Alleen al omdat ik niet zo goed wist waarom ik haar boeken zo goed vind.
Bennett schrijft geen conventionele literaire meesterwerken. Er is weinig plot, de personages zijn vluchtig en hoewel de beelden mooi zijn, schrijft ze weinig opmerkelijke zinnen. Ook vindt de lezer er geen kant en klare levenswijsheden of maatschappijvisie.In de maanden na september hield ik me bezig met die vraag: waarom vind ik sommige boeken zo goed? Waarom vind ik Bennett zo goed?
Leesbevorderaars zeggen vaak dat lezen empathie vergroot. Ik weet niet zo goed wat ze daarmee bedoelen, maar misschien is dit het begin: Literatuur is verrijkend en onmisbaar omdat je het leven in andere tijden, situaties en personen kan beleven en haast uitproberen zonder echte consequenties. Het is veilig oefenen in menszijn, in andere opvattingen en perspectieven. Dat is het eerste dat ik bedacht.
Gelaagd perspectief
Het tweede dat ik me realiseerde is: literatuur verrijkt op nóg een manier. Het brengt reflectie. Verhalen beschrijven het leven van achteraf. Dat kan niet anders. Een verhaal wordt geschreven nadat het gebeurd is, niet ten tijde van. Er is minstens 1 ronde aan nadenken overheen gegaan: wat was er belangrijk in de stroom van gebeurtenissen die achter me liggen? Wat is de betekenis ervan voor mij? Welk verhaal is hier te vertellen? Voordat een verhaal wordt gedeeld, heeft er bespiegeling plaats gevonden. Zelfs dagboeken worden achteraf beschreven en ook in dagboeken worden keuzes gemaakt: Wat is van belang om te onthouden? Alleen betekenisvolle voorvallen worden opgeschreven. Wat betekenisvol is, hangt af van de dagboekschrijver en diens perspectief op de afgelopen dag. De lezer leest daarom niet alleen beleving, maar ook reflectie op die beleving. De lezer leest wat voor betekenis een gebeurtenis heeft gekregen.
Dagboeken, autobiografieën, memoirs en essays brengen betekenis aan in de stroom van de werkelijkheid. Degene die het opschrijft brengt gebeurtenissen met elkaar in verband, zodat er samenhang ontstaat. Losse elementen uit een leven worden een eenheid. Lezen van egodocumenten laat mij zien hoe ik kan aankijken tegen bepaalde gebeurtenissen, wat voor betekenis ze hebben voor degene die het mee heeft gemaakt. Het geeft mij het perspectief van een ander.
In fictie, biografieën, historisch, filosofische of wetenschappelijke werken gaat dat nog verder. De auteur brengt gebeurtenissen met elkaar in verband waarvan de auteur zelf geen deel heeft uitgemaakt. Dat voegt een extra niveau van reflectie toe: de blik van de buitenstaander. De buitenstaander heeft een ander perpectief, een andere context dan degene die een gebeurtenis heeft meegemaakt. Het vertellen van een verhaal over je eigen leven is één niveau omhoog van de werkelijkheid. Het vertellen van een verhaal over een werkelijkheid waar je zelf niet handelend in hebt opgetreden is twee niveaus omhoog vanuit die werkelijkheid. Fictie kan dus beschrijven hoe een personage een situatie beleeft én tegelijkertijd betekenis geven aan die situatie vanuit een andere context en blik.
De Engelse literatuurcriticus James Wood legt dit in How fiction works technisch en lyrisch uit, aan de hand van verhalen in de derde persoon enkelvoud. Een auteur, die niet vanuit een “ik” schrijft, maar vanuit een “alwetende verteller” is niet gebonden aan het perspectief van een personage. Dat betekent dat ze kan beschrijven wat een personage denkt, terwijl het personage zich dat niet bewust is op dat moment. De auteur kan een laag toevoegen aan de beleving of het perspectief van het personage al tijdens de beschrijving van het heden van het personage. Onmiddellijk ontstaat er een verdubbeling van het perspectief. De lezer krijgt twee werkelijkheden tegelijkertijd gepresenteerd. Een verrijking en verruiming van onze eigen beleving van een boek. Een prachtig voorbeeld van zo’n gelaagd perspectief is Op het allerlaatste moment van Claire Keegan, maar voor een heel duidelijk voorbeeld lees je de boeken van Fredrik Backman.
In Een man die Ove heet geeft de alwetende verteller doorlopend commentaar op de personages. Dat werkt geweldig: de commentaarstem is zowel empathisch als sarcastisch. Ove wordt neergezet als een rechtlijnige, beperkte man, die na de dood van zijn vrouw geen handvatten meer heeft voor sociale omgangsvormen. Zijn we eigenlijk niet allemaal een beetje zo? vraagt de commentaarstem ons. Ik heb heel hard gelachen om Ove, maar me ook steeds met hem verbonden gevoeld. In My Friends, Backmans nieuwste boek, slaat het commentaar door naar diep gevoelde empathie met de personages. Dat is wat mij betreft op het randje van zoetsappig, maar de verdubbeling van perspectief is onmiskenbaar. Backman is een vakman.
Het perspectief van de lezer
Het belang en de mogelijkheden van de stapeling van perspectieven vond ik nauwelijks terug in handboeken voor schrijvers en in basisboeken literatuur, terwijl het voor mij een essentieel onderdeel is van een goede leeservaring. Bij perspectivische gelaagdheid krijg ik het gevoel dat de schrijver meer doet dan alleen een verhaal vertellen. Ze brengt meer over, een bepaald begrip van de wereld. Over dat overbrengen, over het leggen van verbanden gaat het echter weinig in handleidingen voor het schrijven van verhalen. Dat het van belang is en hoe het werkt lijkt vooral gepassioneerde lezers bezig te houden.
Zoals James Wood, maar ook de Amerikaanse journalist, schrijfdocent en schrijver Vivian Gornick houdt zich bezig met de vraag: wanneer werkt een verhaal écht? Gornick schreef prachtige boeken als Verstrengeld en Een vrouw apart. En de stad, maar ook een aantal boeken waarin ze vol liefde over literatuur en leeservaringen schrijft. In één boek, The situation and the story, spreekt ze expliciet aspirant schrijvers aan. En ze spreekt ze aan als lezer: wat is voor de lezer het verschil tussen een verhaal en een goed verhaal?
Ze begint haar boek met een observatie als luisterend publiek. Het boek opent met de beschrijving van de uitvaart van een bekende dokter. Van alle speeches die daar gehouden worden is er maar een die haar bijblijft en raakt. Waarom die speech wel en de andere niet? vraagt ze zich af. Dat is het uitgangspunt voor haar adviezen aan een beginnende schrijver.
Haar opvatting is dat een goed verhaal buiten de tekst begint. Een goed verhaal begint bij het proces in de schrijver zelf. Op het moment dat de schrijver het ruwe materiaal heeft waarover ze wil schrijven, is de volgende stap het bepalen van de stem die de schrijver daar zelf in heeft: wat is het verhaal dat ík daarover te vertellen heb? Wat is mijn unieke perspectief en welke versie van mij is essentieel voor dat perspectief? Vervolgens construeert ze, aldus Gornick, een versimpelde, gecomprimeerde versie van het unieke perspectief waaruit de ‘ik’ het onderwerp beleefd heeft: dat is de verie van de schrijver die over dit onderwerp moet vertellen.
Gornick zegt het zo: ‘The writing we call personal narrative is written by people who, in essence, are imagining only themselves in relation to the subject at hand. The connection is an intimate one; in fact, it is critical. Out of the raw material of a writer’s own undisguised being a narrator is fashioned whose existence on the page is integral to the tale being told. This narrator becomes a persona. Its tone of voice, its angle of vision, the rhythm of its sentences, what it selects to observe and what to ignore are chosen to serve the subject; yet at the same time the way the narrator – or the persona – sees things is, to the largest degree, the thing being seen.’
Het verhaal is niet de gebeurtenissen die verhaald worden, het verhaal is de samenhang die de schrijver erin aanbrengt. De kern daarin is de wisselwerking tussen de schrijver en het materiaal. De schrijver moet weten wat haar band is met het onderwerp voordat zij weet welke ‘persona’ zij moet aannemen om het specifieke verhaal te vertellen. Ik kies er in deze instantie voor om Gornicks ‘persona’ op verschillende manieren te parafraseren. Geen ervan dekt de lading helemaal, maar alle samen geven een beeld van wat Gornick met dat ongrijpbare begrip bedoelt. ‘Rol’ of ‘karakter’ of ‘vertelstem’ zijn parafraseringen. ‘Vertelstem’ sluit bijvoorbeeld aan bij de commentaarstem uit de boeken van Backman.
De rol van de schrijver
Stel dat je iets zou vertellen aan een klas kleuters, daarna een klas middelbare scholieren en daarna een groep volwassenen. Dan zou je nadenken over verschil in toonhoogte, taalgebruik, woordkeuze, zinslengte en gebruikte beelden, je zou nadenken over je rol en positie tegenover je publiek. Bij Gornick is echter niet je publiek leidend voor de rol die je aanneemt maar je verhouding tot het onderwerp van je verhaal. Waarom vertel jij over dit onderwerp en met welke bedoeling, boodschap, intentie of nog beter gezegd: vanuit welk inzicht. Door het materiaal en haar eigen perspectief te overzien heeft de schrijver grip op de samenhang. Daaruit volgt de vorm die het verhaal nodig heeft om het inzicht over te brengen.
Een goed verhaal ‘that is to be of value to the disinterested reader’ heeft volgens Gornick zowel een ‘persona’ als een inzicht nodig. Volgens Gornick is het een ‘monumental task’ om ‘low-level self-interest’ om te zetten tot ‘the kind of detached empathy required of a piece of writing that is to be of value’. En voor Gornick begint dat bij de persona en daarna volgt het inzicht.
Een goed voorbeeld van een ‘persona’ vind ik in de autobiografische roman WOLF van Lara Taveirne. Wolf is de naam van haar broer, die verdween en uiteindelijk ver weg werd teruggevonden. Hij had een einde aan zijn leven gemaakt. Het verhaal dat Taveirne vertelt, is het verhaal van de achterblijvers. Ze beschrijft mensen die een leven moeten vormgeven waarin iemand die niet meer is, er nog steeds is. Een kind of een broer of zus die er niet meer is, blijft in afwezigheid aanwezig. Hoe maak je een vol leven van een leven met een gigantisch gat erin?
Taveirne heeft begrepen dat haar unieke perspectief de broer-zusband is. Ze vertelt het verhaal daarom als ‘de zus van Wolf’. Dat is haar persona. Het leidt tot een interessante keus voor de vorm van het verhaal: ze vertelt het verhaal aan haar broer, in de je-vorm. Aan hem kan ze heel intiem vertellen hoe het hen verging nadat hij weg was, niet gehinderd door overbodige uitleg over hem, hun gezin of haarzelf. Dat levert een gevoelig, hartverscheurend, maar ook nuchter en geconcentreerd portret op van Taveirnes verdriet.
Gornick schrijft dat er veel ‘soulsearching’ nodig is om tot een persona te komen, zelfonderzoek. Maar is het juist niet nodig om buiten jezelf te treden, om te reflecteren op jezelf vanaf een afstand? Een schrijver moet onderzoeken wat het verhaal is dat ze wil vertellen, wat het inzicht is dat ze wil overbrengen en wat het unieke is aan haar perspectief waardoor dat inzicht alleen door haar opgeschreven kan worden. Ze moet dus haar eigen rol zien. Daarvoor is afstand nodig, je moet haast buitenstaander van je eigen verhaal worden om te zien welke rol jij in dat verhaal hebt. Des te knapper dat dit Taveirne lukt bij zo’n persoonlijk, verdrietig onderwerp als het zelfgekozen einde van haar broer.
Vaders en dochters
Gornick beperkt zich in The situation and the story tot vertellers die hun eigen verhaal vertellen, maar haar theorie gaat volgens mij ook op voor fictie. Steeds vaker denk ik bij tegenvallende romans dat de reden waarom déze schrijver dít verhaal moest vertellen ontbreekt. Een voorbeeld daarvan is, in mijn lezing, De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf geschreven door Maria Kager.
‘Een proeve van bekwaamheid’ noemde een van mijn DIEPLEZEN-cursisten het boek en dat vind ik raak. Kager laat zien dat ze kan schrijven. Het is technisch goed en slim. Ze heeft veel kennis over haar onderwerp, een meisje dat opgroeit onder de rook van een gevangenis en met een disfunctionele vader. Het verhaal is, in ieder geval deels, autobiografisch. Ze weet waar ze het over heeft.
Er zitten prachtige passages in het boek die tonen wat Kager vermag. Het is de moeite waard paragraaf 24 in hoofdstuk 2 te lezen. In dat paragraafje zit zoveel: tragedie, verdriet en komische details. Je krijgt een beeld van de vreemde verhouding tussen een vader en een dochter, je ziet liefde en onvermogen, je ziet de ontwikkeling van de dochter en de stagnatie van de vader. Er is een patroon dat steigert als het doorbroken wordt. Je ziet het gemis en de rol van de moeder. En dat allemaal in een paar pagina’s. Hier is een auteur aan het woord is die gouden materiaal in handen heeft over opgroeien in moeilijke, maar toch “normale” omstandigheden.
Maar aan het eind van de roman was ik onbevredigd. Ik miste iets essentieels. Ja, ze kan heel goed schrijven en spelen met verteltechniek. Ja, ze weet me veel te vertellen over het onderwerp en daarover heb ik veel geleerd, maar wat is het inzicht dat ík niet zou hebben als ik dezelfde kennis had, háár inzicht? Wat is haar unieke perspectief? Om met Gornick te spreken: Kager weet wat haar ruwe materiaal is, maar ze heeft nog niet gezien welk inzicht haar persona aan dit materiaal brengt. Daarom heeft het ruwe materiaal wel vorm gekregen, maar geen dwingende eenheid. Er mist reflectieve distantie om het geheel te overzien.
Een familiekwestie van Claire Lynch gaat ook over een ingewikkelde vader-dochter-relatie. Deze vader voedde zijn dochter alleen op, omdat hij dacht dat dat het beste was toen zijn vrouw verliefd werd op een vrouw. Lynch heeft heel zorgvuldig gekozen voor de perspectieven van waaruit de lezer de situaties beziet en de volgorde van die perspectieven. Ook maakt ze gebruik van het alwetende-vertelperspectief om de belevingen van de verschillende personages te kunnen ‘becommentariëren’ en te duiden. Lynch vertelt het zo, omdat zij begrepen had wat de essentie was die zíj over moest brengen. De vertelkeuzes zijn noodzakelijk om dát inzicht trefzeker neer te zetten, in plaats van alle andere verhalen die je zou kunnen maken van het ruwe materiaal dat Lynch voor zich had. En het bracht mij inzichten! Zoveel inzichten! Over het leven, mijn leven, hoe te leven als de omgeving je leven bepaalt.
Dat miste ik bij Kager. Ik begreep uiteindelijk de vader en de dochter in haar verhaal, maar na het verhaal van Lynch begreep ik de vader, de dochter én mezelf.
Ook nog een tijdmachine
Waar Lynch kiest in vertelvorm, structuur en perspectief om haar inzicht over te brengen, kiest Rob van Essen inhoudelijke ingrepen voor het zijne. In Ik kom hier nog op terug zet hij een tijdmachine in. Een tijdmachine! Middenin een verhaal dat prettig realistisch begint met een schilder op een bekende Amsterdamse brug en andere herleidbare historische en lokale referenties staat er ineens een tijdmachine in een loods. Die nog werkt ook. Sommige lezers haken hier af. Ze willen geen sci-fi in hun boeken, ze snappen niet waarom Van Essen ons tergt met een fantasietje.
Ik durf te wedden dat Van Essen ook niet in tijdmachines gelooft. Toch creëerde hij een wereld waarin een tijdmachine kan bestaan. Hij veegt bewust ons -en zijn- realisme aan de kant omdat hij die nodig heeft om het juiste verhaal te vertellen. Hij heeft daarom een persona gecreëerd, die het serieus over tijdmachines kan hebben, terwijl hij als mens misschien lacherig wordt van de gedachte alleen al.
Wat gebeurt er als ik hem daarin volg? Wat gebeurde er toen ik meeging in deze fictieve realiteit? Ik kreeg gelaagde nieuwe inzichten over de werking van geheugen, over schuld, over herinneringen, over verwerking en over het perspectief van waaruit ieder van ons apart de wereld bekijkt. Inzichten, die ik zonder tijdmachine niet bereikt had.
Buitenstaander worden
Goede boeken zijn wat mij betreft geschreven door mensen die iets begrepen hebben. Ze hebben nagedacht over hun onderwerp en zichzelf, net zo lang tot ze buitenstaander zijn geworden van hun eigen materiaal. Van een afstand zagen ze een dwingende samenhang tussen de persona en het inzicht. Daarna hebben ze met hun ambacht en vakmanschap dat inzicht in een verhaal vorm gegeven. Als een auteur nog niet genoeg afstand heeft om haar eigen rol te zien, kunnen we alleen het verhaal volgen, een specifiek verhaal over die ene vader en die ene dochter. We kunnen de personages wellicht begrijpen, maar iets begrijpen over ons eigen leven niet.
Maar waarom werkt dat zo? Enerzijds omdat het mij een voorbeeld geeft over het je je eigen leven kunt beschouwen vanaf een afstand. En welke afstand dan. In Dikke kus, dag-dag zet Bennett de ik-verteller neer als een zwaar overdenkende, licht chaotische vrouw, die meegesleurd wordt door het leven. (Ik voel meteen de persona van Bennett) Dat gaf mij perspectief op mijn eigen overdenken, en hoe het leven mij meesleurt. Ik kon de wisselwerking ervan in mij van een afstandje bekijken.
Anderzijds biedt de reflectieve distantie van een auteur ruimte aan mij, de lezer. Als de schrijver het verhaal nog niet heeft losgelaten, als er nog intimiteit is tussen het onderwerp van het verhaal en de mens die het vertelt, dan is geen ruimte voor de lezer, de ultieme buitenstaander, om ermee aan de haal te gaan. Wie ben ik als buitenstaander om iets anders, breders, tegengestelds, te zien in een persoonlijk verhaal? Wat weet ik ervan? Pas als de maker het werk kan aanschouwen vanuit een ander perspectief is er voor mij als lezer ruimte om het verhaal op mijn eigen leven te laten slaan.
Na lezing van Dikke kus, dag-dag begreep ik waarom mijn gevoelsleven zo complex is en zo intern tegenstrijdig. Voor het eerst lukte het me om dat te zien zonder daar meteen een oordeel over te hebben. Oh ja, natuurlijk werkt het zo in mijn hoofd, dacht ik. Oh ja, zo werken vrouwenhoofden, dacht ik. Is dat het inzicht dat Bennett over wilde brengen?
Geen idee. Maakt mij ook niet uit. Dikke kus, dag-dag is niet meer van Bennett, het is nu van mij. Ik heb mijn eigen inzichten ontwikkeld. Ik ben uitgenodigd me het verhaal eigen te maken en daar ben ik haar dankbaar voor. Gewoon dankbaar.
Just thank you.
Soms word ik me zo bewust hoe heerlijk lezen is. Bijvoorbeeld als ik onderweg in de trein bijna toevallig een goed boek lees.
Ik val vaak in slaap bij een luisterboek. Hoe voorspelbaarder het boek en hoe beter de voorlezer, hoe sneller ik slaap. Als ik geconcentreerd moet luisteren om een ingewikkelde verhaallijn of een langzaam plot te volgen, val ik niet in slaap. Veel herhaling en voorspelbare plots zijn fijn om het verhaal toch een beetje bij te houden. Geen literatuur in oorvorm daarom voor mij. Maar vind maar eens genoeg middelmatige boeken en luistertijd op de reguliere streamingdiensten… Daarom gaf mijn lief me laatst een luisterboekenabonnement cadeau. Eindelijk genoeg boeken om uit te kiezen en geen limiet op het aantal uur, wat bij 2 slapeloze nachten per maand zo op is.
Eboeken
Laatst onderweg in de trein, toen de drie boeken die ik bij me had stuk voor stuk tegenvielen, ontdekte ik dat het luisterboekenabonnement ook eboeken heeft. Ik probeerde het uit en lezen op mijn telefoon gaat me makkelijker af dan gedacht. Eerst hield ik me aan de eboeken uit het genre dat ik luister. Ik had verwacht dat het lezen van een scherm ook vlakke, saaie boeken nodig had om mijn aandacht vast te houden. Dat beviel matig, maar uit het raam kijken is ook leuk. Toen ik vorige week zonder leesvoer 20 minuten in de bus moest zitten gingen het voorspelbare plot en de cliché omschrijvingen me vervelen. Ik pakte een literaire titel en dat ging best! Dus nu lees ik literatuur op mijn telefoon, als ik niet bij mijn boek kan.
Vluchten… lezen…
Gisteren was de trein Utrecht-Zaandam zo vol dat ik strandde op een balkon waar ook 5 fietsen en minstens 15 mensen stonden. Ik kon mijn tas niet van mijn rug halen. Te midden van die andere onverschillige, naar binnen gekeerde reizigers dacht ik: ‘Wat heb ik misdaan dat ik me hier nu moet bevinden? Kon ik maar vluchten… lezen…’ Ah ja! Ik wipte mijn telefoon uit mijn broekzak en “sloeg mijn boek open”. Met een fiets tegen mijn been en adem in mijn nek stapte ik in de wereld van Joost, de hoofdpersoon van De bandagist van Marente de Moor.
Prachtig beeld van hedendaags Amsterdam geeft De Moor. De hoofdpersoon heeft alle frustraties en stille geneugten die ik herken van de stad. Mooie zinnen staan erin en het heeft een opbouw die weliswaar licht voorspelbaar lijkt te zijn, maar desalniettemin intrigeert. Af en toe dacht ik even: ‘hoe komt het dat die vrouw deze jonge man zo raak treft?’ en daarna sleepte het verhaal me weer mee. Ik ken het traject zo goed dat ik tijdens het lezen kon registreren dat we Sloterdijk waren gepasseerd. Precies op tijd stopte ik bij een witregel, stak mijn telefoon weg en zette mijn bril op. Verder heb ik van mijn omgeving niets meegekregen.
Ja, dat is de verdienste van een goed boek. Dat is het heerlijke van lezen.
De vakantie loopt op zijn eind, dus droom ik vast van mooie najaarsweekenden met tijd voor lezen en eten, buiten op een kleedje… Maar wat zou je lezen bij een leespicknick?
Weersverwachting
Ik weet niet precies wat ik van het weer moet vinden deze zomer. Heerlijk om elke dag zonder jas naar buiten te kunnen, maar ik vind het minder dat ik naar een airco begin te verlangen en welke luchtige kleren moet ik nu weer aan? Het stuwt mijn angst voor de toekomst op.
Tegelijkertijd geniet ik te weinig van het weer. Ik ben veel, maar onderweg. Fietsend, kanoënd, wandelend of van hot naar her. Buiten eten doe ik ook regelmatig. Wat ik te weinig doe in de buitenlucht een boek lezen. Daar heb ik het te druk voor. Of ik neem er de tijd niet voor.
Ik hoop daarom dat het eerst een aantal weken slecht weer wordt en dan, als de scholen weer zijn begonnen en de rust bij mij is weergekeerd, een paar mooie weekenden. Dan ga ik een reading picknick houden: Met vrienden naar het park, lekker eten mee, mooie boeken mee, iets te drinken in een koeltas, een stoeltje of een dekentje om je op neer te vleien en lezen maar! Ja, tussendoor mag er gekletst en gegeten worden. Liefst over wat je leest, natuurlijk.
Boekkeuze
Maar wat lees je dan? Wat zijn geschikte boeken voor een booknic? Ik dacht meteen aan Koken in de verkeerde eeuw van Teresa Präauer. Dat gaat over een etentje met vrienden, zo’n etentje waar je van droomt: openslaande deuren, mooi gedekte tafel, smaakvolle simpele gerechten, goeie wijn, leuke mensen, diepe gesprekken… En het loopt nooit zoals je verwacht. De dromen en de realiteit zitten beide in het boek. En er staan (rudimentaire) recepten in voor simpele gerechten, die je ook mee kan nemen naar een picknick. Hoe leuk is dat? Eten wat je leest.
In mijn imaginaire leespicknick lezen we allemaal dat boek. Zodat we na een uurtje tegen elkaar kunnen zeggen: ‘waar ben jij nu? Is die-en-die er al? Hebben ze de wijn al op?’ Maar vooral ook: ‘Waar gaat dit boek eigenlijk over? Wat is nou eigenlijk de dwingende gedachte achter dit verhaal?’
Ik las Koken in de verkeerde eeuw vorig jaar, op fietsvakantie, in het gras naast de tent, en ik begreep het niet. Ik begreep niet waarom ik het boek las, ik begreep niet waarom Präauer de urgentie voelde om dit verhaal te schrijven. Ik zou dat willen duiden met mijn vrienden op een picknickkleed.
Zomerse boeken
Ander idee: een boek meenemen dat zo goed geschreven is of grappig of wijs dat je er de hele tijd uit wil voorlezen. Voorwaarde: de ander(en) moet(en) het niet erg vinden dat je hun eigen lezen stoort. Ik zou zeggen: zij mogen jou ook storen om voor te lezen uit hun mooie boeken. De laatste boeken waaruit ik zinnen wilde voorlezen waren Onvoltooid werk van Vivian Gornick en Zwarte september van Sandro Veronesi. Onvoltooid werk heeft als voordeel dat Gornick allerlei boeken noemt die je meteen wil lezen en bespreken. Het roept op tot boekengesprekken.
Zwarte september heeft als voordeel dat het zich afspeelt in een oneindig lijkende zomer. Veronesi heeft prachtige beschrijvingen van de Italiaanse kust in de jaren ’70. Zeer geschikt om buiten in de zon te lezen.
Nog drie van die zomerse zomerboeken:
De onderstroom van Benjamin Myers, met een Engelse zomer als onderwerp;
Moeders zondag van Graham Swift, dat zich afspeelt op een zonnige maartse dag die voelt als zomer; Pleegkind van Claire Keegan, waarin de zomer Iers en de levenskunst overvloedig is.
Voorlezen
Goed voor zeer citeerbare quotes: de boeken van Terry Pratchett, cult fantasyschrijver met intelligente flauwe humor. Volgens sommige kenners begint het plezier pas bij boek drie uit zijn ellenlange serie, maar ik heb me al zeer goed vermaakt met boek 1, The Colour of Magic en 2, The Light Fantastic.
Oh, ik verheug me nu al! Om te eten zou ik iets koken uit het kook- en overlevingsboek Midnight Chicken van Ella Risbridger. Ze heeft een hoofdstuk met picknickrecepten.
Laat de nazomer maar komen!
Wil je dit ook, maar weet je niet met wie? Een boekenspreekuur kan ook tijdens een picknick. Of neem je hele leesclub mee naar buiten! Ik denk met je mee over een geschikt boek en leid het gesprek terug naar het boek, als het eten teveel afleidt 😉
Ken je dat: Het hele jaar te weinig toegekomen aan lezen en je voornemen dat goed te maken op vakantie? Ik weet wat je denkt: ik neem mijn e-reader mee, heb ik genoeg boeken en genoeg keus om veel te lezen. Ik zei het zelf jarenlang tegen mensen in de winkel: ‘ja, voor op vakantie is het handig, zo’n ereader. Dan heb je tenminste genoeg boeken bij je.’ Toch geef ik je dit advies: neem geen e-reader mee. Dat werkt beter. Ik zal je uitleggen waarom en geef wat tips.
Naar Schotland
Onlangs ging ik op vakantie met mijn (vrij nieuwe) geliefde en papieren boeken. Vooraf dacht ik dat hij me misschien zou overhalen om een e-reader mee te nemen. Op een roadtrip door Schotland met trein, fiets, bus en boot is de stapel boeken die ik meeneem een aanzienlijk gewicht. En onderweg wilde ik ook nog boeken kopen. Hij bleek gelukkig uit hetzelfde hout gesneden!
Lezen van een scherm zou een optie voor me kunnen zijn. Of worden. Er ging deze vakantie ook een deur open. Een uitgever stuurde me een vooruitexemplaar van een roman, die nog niet in print was verschenen. Ik wilde heb boek graag lezen, dus installeerde ik de e-bookapp op mijn telefoon en begon erin op de heenweg.
De deur waaide vanzelf dicht… Eenmaal in Schotland vergat ik het niet-fysieke boek, maar de papieren boeken kwam ik steeds tegen in mijn tas. Telkens de reminder bij het in- en uitpakken: ‘Oh ja! Dit was ik aan het lezen!’ Op elke nieuwe plek dezelfde boeken. Even iets bekends na een dag vol oogverblindende uitzichten en nieuwe indrukken. Dus pakte ik ’s avonds een boek: rustig voor de ogen, rustgevend voor het hoofd en een vertrouwd gevoel.
De beperkte keuze werkt ook. Na de hele dag nadenken over ‘Wat zullen we doen?’ en ‘Waar gaan we eten?’ hoefde ik qua boeken niet te kiezen. Op een e-reader zou het net zo gaan als met netflix na een drukke dag: overprikkeld zou ik eindeloos scrollen tussen de mogelijkheden en uiteindelijk nergens echt geconcentreerd naar kijken. Minder lezen, in plaats van meer. Nu legde ik ’s avonds het scherm aan de kant en dook in het kalme comfort van het bekende. Hoe drukker de dag hoe meer ik ’s avonds las. Lekker veel gelezen!
Voorpret
Met papieren boeken kies je voordat je op vakantie gaat. Dat betekent: Extra voorpret! Ik verkneukel me elke keer over het stapeltje vakantieboeken dat groeit en soms wisselt op mijn bureau: als ik op vakantie ben mag ik dát lezen!
Zaak is natuurlijk om te weten wat je wil lezen op vakantie. Mijn tips:
-Neem in ieder geval iets makkelijks mee. Een boek om de pre-vakantie, post-werkstress van je af te lezen, een boek om makkelijk in te glijden. Voor mij zijn dat cosy mysteries, soms een goeie light read. Verstand op nul en meters maken.
-Neem in ieder geval iets uitdagends mee. Als de vakantie wat langer duurt en er is leegte dan krijgt het hoofd zin in nadenken. Echt waar. Geef het dan iets om de tanden in te zetten. Als je dat niet doet is de kans groot dat je hersenen aan werk gaan denken of ingewikkelde privézaken. Wég ontspanning. Ik neem daarvoor een boek over filosofie mee of andere populair-wetenschappelijke non-fictie.
-Neem een boek mee dat je sowieso wil lezen. Je gaat naar een plek waar je sowieso heen wil en hopelijk ga je dingen doen die je graag wil doen. Daar horen geen boeken bij die je nog ‘moet’ lezen. Dus niet dat ene boek dat je kreeg van die vriend die een heel andere leessmaak heeft dan jij, niet dat boek dat je alleen gekocht hebt omdat ‘iedereen het leest’, maar dat ene boek dat je al jaren graag wil lezen of al de hele tijd ligt te lonken op de stapel op je nachtkastje maar nog niet is opengeslagen.
-Neem een boek mee dat zich afspeelt op de plek waar je heen gaat. Of juist helemaal niet. Ik vind het heerlijk om over de locatie te lezen waar ik ben. Geeft zo’n fijn gevoel van herkenning en extra onderdompeling. Ik heb veel lezers gesproken die dat juist niet willen. Die zoeken op vakantie juist een andere bestemming. Neem dan een lekker exotisch boek mee, waarin je juist naar een heel andere plek kan reizen.
-Neem een boek mee dat je kunt achterlaten. Scheelt terug sjouwen als je andere boeken, souvenirs of nieuwe kleding koopt op vakantie.
Deze titels kunnen natuurlijk overlappen. Bovendien kan je van elke categorie meer meenemen. Wat de vraag oproept hoeveel boeken je mee moet nemen. Het belangrijkste is: weinig keus is leuk, maar je wil wel wat keus, op elk moment in je vakantie. Kijk in de hierboven beschreven categorieën van welke categorie je het meest leest en neem daaruit één of twee titels extra mee. Of een heel dik boek.
Te weinig boeken
Bang dat je niet genoeg bij je hebt? Herkenbaar! Daarom koop ik altijd onderweg nog boeken. In bijna elke boekhandel hebben ze tegenwoordig een (kleine) selectie Engels. En je kan natuurlijk een vreemde taal oppoetsen door een boek dat je al kent in de lokale taal te herlezen.
Maar het summum van leesplezier is als je boeken kan uitwisselen met andere vakantiegangers. Bespreek bij het toiletgebouw met de afwasser naast je wat jullie aan het lezen zijn en of je kan ruilen. Kijk op het boekenplankje in je appartement. Spreek die lezer naast het zwembad aan om te vragen wat hij leest… zo kwam ik als kind aan nieuw leesvoer, maar daar schrijf ik een andere keer over.
Kortom, durf het aan om je e-reader thuis te laten en cureer je vakantielezen net zoals je je vakantie vormgeeft. Ik geloof er heilig in dat je dan meer én met meer plezier leest!
Kom je er alleen niet uit? Specifieke aanbevelingen nodig? Ik help je graag in een live of online boekenspreekuur!